|
|
De schaduwzijde van Bio- en Fair Trade-labels |
Met de ietwat sensationalistische titel en dit artikel zelf, wil ik zeker geen afbreuk doen aan de vele zinvolle fair trade projecten, initiatieven en producten die vandaag de dag overal ter wereld opduiken. Integendeel. Maar zo is ondertussen wel de aandacht getrokken. Wie niet veel tijd heeft kan snel even de centrale vragen bekijken van dit artikel en zo zelf kiezen waarop hij/zij een antwoord wenst.
Ik wil het hebben over enkele vragen die er bij dit eerlijke handelsmodel opduiken en meningen en alternatieven die ik hier in mijn werkomgeving leer kennen. Bovendien wil ik de enorm interessante publicatie van het Trade for Development centrum van de BTC toejuichen. In die brochure met als titel “Biologische Landbouw in de landen van het Zuiden: kansen voor duurzame ontwikkeling?” komen vele interessante aspecten aanbod, waaronder ANPE de organisatie waarin ik werk en het Participatieve Garantiesysteem (PGS). Zeker lezen en wat mij betreft is het antwoord alvast Ja!
Het betreft brandend actuele thema’s, want zo nam ik vorige week net nog deel aan het internationale event rond participatieve garantiesystemen in een prachtige Andesvallei in Huánuco (centrum Perú). Er werden ervaringen uitgewisseld en debatten gevoerd tussen de vele deelnemers van verschillende landen uit Zuid-Amerika: Brazilië, Colombia, Ecuador, Perú en Bolivia. Enorm leerrijk!
Wat is zo’n Participatief Garantiesysteem eigenlijk?
Het concept is redelijk eenvoudig. Organische boeren, of beter nog Ecologische, willen kunnen garanderen aan hun klanten dat ze daadwerkelijk geen chemische insecticiden, pesticiden of herbiciden noch kunstmatige meststoffen of genetisch gemanipuleerd zaaigoed hebben gebruikt tijdens het hele productieproces. Ze willen dus kunnen garanderen dat ze op en top gezonde en voedselrijke producten aanbieden, en de klant is hier natuurlijk ook mee gediend.
1) Hiertoe ondertekent de ecologische boer(in) dus een soort van contract. Zijn of haar compromis tot een oogst zonder onnatuurlijke inputs.
2) Men zet dan een systeem op waarin lokale boerengroepen elkaar gaan controleren en evalueren (interne controle). Via registratie van deze evaluaties in gestandaardiseerde controle-fiches krijgt dit proces toch een formeel en verifieerbaar karakter.
3) Die lokale boerengroepen maken ook deel uit van een Regionaal Comité, een soort technisch secretariaat dat de gegevens bijhoudt, certificaten uitvaardigt (slechts na minstens 2 jaar van transitie in Perú) en het hele systeem ondersteunt. Dit Comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van NGOs, boerenbewegingen, consumentenorganisaties, overheidsinstituten, universiteiten, enzovoort en het voert bovendien regelmatig controle uit in een sample van de gecertificeerde groep (extern controlemechanisme).
4) In Perú is er dan ook nog een Nationaal Comité ter bevordering van het PGS, dat zich vooral bezig houdt met het bevorderen van het wettelijk kader en dat met zijn technisch secretariaat ondersteuning geeft aan het hele systeem, events ter uitwisseling van de ervaringen en promotie van de participatieve garantiesystemen zoals dat in Huánuco, etc.
Over heel de lijn is de betrokkenheid van de consumenten uitermate belangrijk! Zij zijn vertegenwoordigd in het regionale en nationale comité en worden bij voorkeur zelfs uitgenodigd voor bezoekjes aan de akkers van de boeren. Weet wat je eet! Dit gebeurt geloof ik nog niet in Perú, maar wel al in Brazilië en Colombia bijvoorbeeld. Dit systeem wordt in tenminste 26 landen over de hele wereld toegepast trouwens, door Nature et Progrès bijvoorbeeld in Frankrijk, maar ook in de USA en in Azië vind je soortgelijke initiatieven. Er zijn parallellen met trends zoals bio-manden en oogstdeelname-initiatieven in België. De connectie met de markt is uiteraard altijd aanwezig, hier in Perú bijvoorbeeld zet ANPE lokale Ecomarktjes op touw voor de directe verkoop van boer aan consument (de zogenaamde korte waardenketens).
In Bolivia focust men zich meer op een samenwerkingsverband op gemeentelijk niveau met de “Municipios ecológicos” (Ecologische gemeenten). In Brazilië is er al een heel wettelijk kader voorzien voor PGSen en wordt er zelfs mee geëxporteerd. In Colombia houdt men het simpel en is men ook nog maar in enkele provincies aanwezig, op het lokale niveau wordt daar in samenwerking met de regionale overheid vertrouwen uitgebouwd tussen consumenten en boeren (met akkerbezoeken o.a.). Dat nationaal wettelijk kader, dat zal wel volgen!
Waarom zijn Participatieve Garantiesystemen zo belangrijk?
Het probleem met organische certificatie door derde partijen (de onafhankelijke “certificadora”) is dat de kosten ervan hoog oplopen en dat de kleine boer hier dus dikwijls geen toegang tot heeft. Vandaar dat men het PGS voorstelt als een betaalbaar alternatief. Zo vertelde men ons dat onafhankelijke certificatie voor een groep van 100 boeren in Huánuco op jaarlijkse basis gauw 5035 tot 11556 USD kost terwijl dat voor het PGS slechts 1928 USD bedraagt (jaarlijkse operationele kosten, exclusief opstartkosten in het eerste jaar). In dit voorbeeld is PGS dus goedkoper. Het heeft bovendien nog vele positieve effecten (“externaliteiten”) die je ook zou moeten meenemen in de evaluatie: het opbouwen van lokale capaciteiten (productie-technisch, administratief en organisationeel), het versterken van lokale boerenverenigingen, het bevorderen van lokale en ecologische productiesystemen,… een meerwaarde dus op sociaal-economisch niveau en voor het duurzame gebruik van de natuurlijke rijkdommen. Wat financiële duurzaamheid betreft, ben ik wel nog niet helemaal overtuigd. Het blijkt namelijk dat de vereiste structuur voor het opzetten en lopende houden van PGSen, dikwijls ook voor Fair Trade labels, meestal toch nog gesubsidieerd wordt door NGOs en hun projecten. Of dit voor een marktgebonden intiatief toelaatbaar is, je certificeert natuurlijk om te verkopen, is uiteraard voor discussie vatbaar.
Wat is het verschil met Bio- en Fair Trade-labels?
Op het gevaar van veralgemenen, probeer ik bondig enkele eigenschappen samen te vatten en te vergelijken in de volgende tabel, die hopelijk voor zichzelf spreekt.
|
Eigenschap |
Participatief Garantiesysteem |
Bio-labels |
|
Toegankelijk voor kleine boeren? |
Ja, met NGO-steun meestal |
Dikwijls niet betaalbaar |
|
Marktoriëntatie? |
Stimuleert lokale markten in de eerste plaats |
Exportgericht |
|
Ecologisch of Organisch? |
Ecologisch. Nadruk op diversificatie, een serie van ecologische landbouwtechnieken en voedselsoevereiniteit. |
Organisch. Zet aan tot monocultuur, wat in strijd is met de agroecologische principes. |
|
Wat certificeert men? |
Het familiale productiesysteem, de landbouwer (het landbouwgezin) en zijn compromis. |
Een enkel product (koffie, bananen,…) |
|
Oorsprong? |
Gebaseerd op lokale behoefte en sociale organisatie. |
Dikwijls extern gedreven opzet. |
|
Aanvraagperiode? |
Lange transitieperiode |
Onmiddellijke ingang |
|
Wat voor controle? |
Interne en externe sociale controle |
Extern |
|
Wie draagt (meestal) de kosten? |
NGO-projecten nog dikwijls |
De landbouwer |
Enkele kritieken over bio- en fair trade-labels die hier in Perú de kop op steken, zijn dus dat ze dikwijls toch nog ontoegankelijk blijven voor de armste kleinschalige landbouwers in de Andes, dat ze aanzetten tot monocultuur (wat dan weer in strijd is met de ecologische principes van diversificatie en rotatie, en ook de voedselzekerheid ondermijnt) en dat hun ondersteunende structuren (de indirecte kosten) toch dikwijls ook nog worden gedragen door ontwikkelingssamenwerkingsprojecten. En ander thema blijft dat ze vooral exportgericht zijn naar het Noorden toe, met verregaande kosten voor het milieu en terwijl het recht op gezond voedsel toch ook in het Zuiden geldt. Wat de participatieve garanties betreft blijven de uitdagingen ook nog talrijk: lokale certificatiesystemen versterken en uitbreiden, zorgen voor financiële duurzaamheid, het wettelijk kader creëren in samenwerking met de nationale overheid (sommige lokale en regionale overheden hebben wel al decreten uitgeschreven ten voordele van het PGS en de organische landbouw), de controleprocedures stroomlijnen, de toegang tot interessante markten organiseren en uitbouwen, sensibilisering onder de Peruaanse consumenten, zorgen dat het systeem betrouwbaar blijft, enzovoort.
Regionale integratie van voedselmarkten en voedsel niet behandelen als eender welke andere commodity zijn – zoals ook VN speciaal adviseur voor het recht op voedsel Olivier de Schutter oppert – misschien wel mee deel van de oplossing.
Wat er ook van aan moge zijn, dikwijls zijn beide certificatiesystemen toch vooral erg complementair.
Think global, eat local!




Katrien said,
July 20, 2010 - 9:30 am
Dit ga ik zeker eens grondig lezen wanneer ik wat meer tijd heb! Wij zijn hier in Benin namelijk bezig met onze boerengroepen Fair Trade gecertificeerd te krijgen. Mijn conclusie tot nog toe is dat het Fair Trade concept een interessant instrument voor ontwikkeling van de boerengroepen is, omdat ze naast de minimumvereisten ook een constante vooruitgang en verbetering vereisen, en daar ook een kader voor geven dat gevolgd moet worden.
Afin, te zien aan al die interessante blogpost van jou ben je goed bezig ginder! Geniet nog van de mooie Andes en veel groetjes uit Benin
Hannes Van den Eeckhout said,
July 22, 2010 - 5:35 pm
Bedankt voor je reactie, Katrien. Jij ook nog veel succes daar in Benin met het certificatie-avontuur!
Ik vond het gewoon frappant dat financieel zelfstandige Fair Trade en biolabels — net zoals zelfonderhoudende microkredieten (BancoSol in Bolivia bijvoorbeeld) en beconcurreerbare ontwikkelingsfondsen (overheidsmiddelen of andere fondsen die je kan “winnen” met een goed project of business plan) — meestal toch vooral de “better-off poor” bereiken. Dat is natuurlijk geen slechte zaak, maar zo blijven de armste bevolkingslagen nog steeds buitenspel staan, omdat zij net iets minder goed georganiseerd zijn, nog net iets minder onderwijs hebben kunnen genieten, of net iets meer sociaal en geografisch geïsoleerd leven…
Pieter Van De Sype said,
July 22, 2010 - 9:56 pm
Hola Hannes,
Heel positief in het participatief systeem vind ik de nadruk op een brede ecologische aanpak. Zuiver Bio – geen chemische meststoffen, pesticiden of ggo’s – is heel mooi en zo, maar de focus op dat ‘organische’ en het demoniseren van alles wat industrieel geproduceerd wordt leidt de aandacht een beetje af van waar het werkelijk om draait.
Een voorbeeld van in mijn werksfeer: een koffieplantage die wordt geopend in een stuk oerbos mag dan wel 100% ‘bio’ zijn, het blijft een kleine ecologische ramp.
Ik heb een paar heel mooie voorbeelden gezien hoe een goed beheer van een koffieplantage onder het wakend oog van de certificatie de kwaliteit van het milieu terug kan heropwaarderen. Door agroforestry, composttechnieken en nutriëntencyclus, een beredeneerd en goed opgevolgd snoeisysteem, geïntegreerd pestbeheer,…slagen sommige boeren erin een betere productie (zowel kwalitatief als kwantitatief) te combineren met een hogere bebossingsgraad en een groter en meer gevarieerde aanwezigheid van fauna en flora.
Maar het blijft een werk van lange adem, dat niet direct resultaat oplevert. Hier in het ver van alles gelegen uiterste – armste – deel van Perú is een ondersteunend kader ook nog niet bepaald heel sterk uitgebouwd.
Het blijft dan ook de vraag hoe representatief die plantages zijn voor de rest van de organizatie…Tenslotte zijn de percelen hier afgelegen en moeilijk bereikbaar; op een dag kan je maximum vijf percelen bezoeken. Het lijkt mij dan ook verstandig kritisch te blijven tegenover het daadwerkelijk voldoen aan de normen die de labels vereisen, omdat effectieve controle hier uiterst moeilijk is. In de klasseurs in het bureau van de organizatie zullen dan wel verslagen liggen over workshops over agroforestry, maar of de boeren dan ook werkelijk bomen zijn beginnen planten die er over twintig jaar nog zullen staan valt veel moeilijker te verifiëren.
In het licht daarvan lijkt de interne controle eigen aan het participatief garantiesysteem wel een goeie stap vooruit. Maar dan is er weer het thema van het wantrouwen en afgunst, dat naar mijn mening toch een belangrijke factor is in Perú…
Soit, voor ge nog gaat beginnen denken dat ik een zwartkijker ben, ik blijf in ieder geval iets heel positief vinden, het labelen. Wetenschappelijke kennis die ecologie en economie de handen in elkaar laat slaan, mooi zo
. Los van heel de discussie over Fair-Trade kan de combinatie tussen hogere opbrengsten en meer natuur op lokaal vlak niet anders dan goed zijn. Ik wou alleen maar een beetje nuanceren.
Hasta Ayacucho
Pieter Van De Sype said,
July 22, 2010 - 11:50 pm
btw, goed artikel
Hannes Van den Eeckhout said,
July 23, 2010 - 3:56 pm
Pieter,
Merci voor de doortastende reactie. Mooie voorbeelden, wij hebben bij ANPE ook zo een paar van die ster-landbouwers met het perfecte integrale en ecologische landbouw-perceel.
De afstand tussen percelen, of vooral de tijd om er te geraken, is inderdaad ook voor het Participatief Garantie-systeem een kritische factor. Die bedreigt in de praktijk zowel de interne als de externe controle-bezoeken, wat dan weer afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van het logo en certificatie-proces.
Bij het blindelings vertrouwen in de eerlijkheid en het compromis van de boer, heb ik ook soms mijn twijfels. De controle-processen en de band met de consument zouden dit moeten tegengaan (als de consument begrijpt dat een ecologisch product gezonder en voedzamer is, maar niet perse glanst en er helemaal gaaf uitziet, dan is men geneigd om meer voor de kwaliteit te produceren dan enkel voor het oog. Denk maar aan die glanzend rode en mooie doch ook smaakloze, transgene tomaten die in de supermarkt liggen hier).
Maar qua controles kunnen praktische beperkingen, afgunst en favoritisme zeker een rol spelen. Het draait allemaal om “incentives”, net zoals bij microkredieten. Daar krijgt de hele kredietgroep geen volgende lening meer, als één van de leden van de kredietgroep niet in staat is om terug te betalen. Dit zorgt er dus voor dat je enkel met betrouwbare leners in zee gaat als kredietgroep (“peer selection” en “assortative matching”). Eén lener die in gebreke blijft, brengt dus de hele groep in gevaar.
Voor het PGS is dat een beetje hetzelfde. Als men éénmaal begint te begrijpen dat het niet navolgen van de ecologische productie-criteria de geloofwaardigheid van het hele systeem in gevaar brengt, zou de kwaliteit van de controle-processen beter moeten worden. Zolang dat niet zo is blijft het systeem zwakke punten kennen.
Jaimé Delgado, voorzitter van de voornaamste Peruaanse consumentenorganisatie ASPEC (à la Test Aankoop), stelde voor om complementair ook enkele laboratorium-testen uit te voeren als onafhankelijke consumentenorganisatie. Maar wat als je bij die eerste controle als systeem al door de mand valt? Een ander gevaar komt van de conventionele, of erger nog de transgene, landbouwlobby. Wat als zij beslissen om met enkele eenvoudige testen het hele systeem te ondermijnen?
En zelfs, als ASPEC zo het grote kwaliteitsverschil tussen conventionele en ecologische landbouwproducten kan aantonen en daar een hele consumenten-massa in Perú (of zelfs Lima) van kan overtuigen.. is de ecologische landbouw-sector in Perú dan momenteel in staat om aan die marktvraag te voldoen qua productie, logistiek en organisatie van de verkoopskanalen? Hij denkt van niet.
Ondanks deze zwakke punten en vooral uitdagingen voor de toekomst, zijn de sterktes en opportuniteiten die het PGS-systeem biedt toch veel talrijker en uitermate belangrijk qua duurzaamheid en als sociaal-ecologische motor voor de economische ontwikkeling van duizenden kleine landbouwfamilies. Voor een “Perú Biodiverso” en het behoud en duurzaam gebruik van haar natuurlijke rijkdommen.
Pieter Van De Sype said,
July 23, 2010 - 5:03 pm
En gij merci om mij wat te verlichten over het PGS. Het lijkt mij inderdaad een goed systeem. Maar om de discussie wat op gang te brengen dacht ik wat kritische noten vanuit mijn eigen ervaringswereld mee te geven
.
Ik wou er vooral inpikken op het feit dat hier in dit vergeten stukje van Perú – en ik neem aan dat dat bij u in de Sierra niet anders is – de opgesmukte verhalen maar al te vaak behoorlijk ver van de realiteit staan. Anderzijds heeft het ook geen zin de kritiek niet te ver gaan doordrijven, uiteindelijk blijven het stappen in de goeie richting, ongeacht de tred.
Ik moet trouwens toegeven dat ik zelf na het bezoeken van die pronkstukjes plots behoorlijk euforisch was. Toen we er naartoe reden dacht ik ‘tiens, toch nog een restje oorspronkelijk bos’. Bleek het om hoogproductieve koffieplantages te gaan.
Heel lekkere koffie trouwens hier, ik ga mij een kopje zetten zie
.