|
|
No hay |
Een veelgehoord – maar weinig geapprecieerd – zinnetje in Perú is ‘no hay’ (is er niet/er is geen…).
Een ober keert terug uit de keuken met de mededeling dat het gerecht dat je besteld hebt op is. Je moet dringend je mails checken, maar ‘no hay internet’. Omdat het de vorige dag zwaar geonweerd heeft is er de hele dag geen elektriciteit. De geldautomaat verzoekt u vriendelijk zich naar de dichtstbijzijnde automaat te begeven, 100 km verderop.
We hebben het plan geopperd een cafe (geen bar, das hier iets anders, redelijk donker en met schaarsgeklede vrouwen) te openen in Lima, met als naam ‘SI hay!’ (nog een denkpiste is een Waals/Vlaams cafe op de taalgrens, maar da’s een ander verhaal).
Met de jefatura zijn we onlangs cameras gaan testen om de beer of tapir op beeld vast te kunnen leggen. Speciale camera’s met een sensor die reageert op beweging waarna de camera registreert gedurende 1 minuut. Binnen twee weken gaan we ze recupereren en zien of ze iets zullen waargenomen hebben.
Pootafdrukken, etensresten en uitwerpselen zijn er bij de vleet, maar tot nu toe is er geen visueel bewijsmateriaal van deze twee met uitsterven bedreigde diersoorten in het SNTN. Met zulke beelden kan er meer aandacht getrokken worden naar het reservaat en zodoende kunnen ze een impuls zijn voor een meer onderzoek, ecotoerisme en een grotere inbreng van de overheid.
Wij naar boven dus, een tweedaagse naar een relatief toegankelijk stuk van het SNTN: 30 km met de motto tot in Alto Ihuamaca, aan de voet van een bergtop die daar de grens van het reservaat vormt, 5 km met de rugzak de helling op, kamperen, nog een paar km steil naar boven tot op de top, cameras op een strategische plaats op de bergflank installeren en listo, goedgemutst terug naar beneden.
Tot we in Ihuamaca te horen krijgen: ‘ah, pero no hay animales en este bosque’ (vrij vertaald: dat het geen beestenbos is). No hay.
De jefatura zijn de eigenlijke beheerders van het SNTN: een baas, een ingeniero forestal, een administratief medewerker, een chauffeur en drie parkwachters. Voor een zeer moeilijk toegankelijk reservaat (cf. ‘Expediciones tapir’) van ongeveer 300 km², waar je drie dagen overdoet om er rond te rijden. Dat ze met zo weinig zijn is een logisch gevolg van het simpele volgende feit: ‘no hay plata’.
Het ministerie van milieu heeft blijkbaar niet genoeg middelen om in de bescherming van de nationale parken te voorzien. Op dit moment is het Pro-SNTN een zeer belangrijke geldschieter van de jefatura, waardoor haar werking min of meer verzekerd wordt, maar wij zijn weg binnen een jaar.
‘Y el Pro-SNTN?’
‘ya no hay Pro-SNTN’.
In discussies over ontwikkelingssamenwerking wordt vaak verwezen naar het gezegde dat het beter is iemand te leren vissen dan hem vis te kopen. Financiële ondersteuning heeft weinig zin, capaciteitsopbouw is waar het om draait. Maar ik kan mooi les geven aan de jefatura om sattelietbeelden te leren analyseren, als ze binnen twee jaar geen geld meer hebben om die beelden aan te kopen, dan is dat allemaal voor niks geweest.
Ik ben niet aan het pleiten voor directe geldsteun, ik wil enkel duidelijk maken dat het gebrek aan middelen – ook financiëel – hier een fundamenteel probleem is voor de duurzaamheid van het werk dat geleverd wordt (en dan heb ik het niet enkel over ontwikkelingssamenwerking). Er is geen geld voor wegen en infrastructuur, er is geen geld om de medische posten te bemannen, er is geen geld voor meer parkwachters voor het SNTN. No hay.
Ik hoop dat ik binnen dit en 20 jaar naar hier kan terugkomen zonder die woorden te moeten horen over de tapir of de beer.






leen said,
January 28, 2010 - 7:29 am
Een trieste realiteit. Niet opgeven.
Eveline Cleynen said,
January 28, 2010 - 8:52 am
Inderdaad een heel goed punt, de duurzaamheid vn een interventie. Daarom is het volgens mij ook van cruciaal belang dat projecten ten eerste over een lange termijn lopen (idealiter minstens 8 jaar), en dat ontwikkelingssamenwerking op verschillende niveaus tegelijk werkt:
Je hoeft je project niet geïsoleerd te zien van het grote geheel. Peru heeft (neem ik aan?) samenwerkingen met andere organisaties op nationaal, bestuurlijk nivea, op vlak van budgetsteun aan de regering en capaciteitsopbouw van de instituties. Zo zou op dat niveau (ministerieel) aan een planning kunnen worden gewerkt om de financiering van districten te verbeteren, waardoor de structuren die op dit moment door jullie project worden opgezet, kunnen worden begroot. Voorwaarde is ook dat het project een duidelijke link heeft met het nationale niveau, en een kanaal heeft om input -hoe klein ook- te geven voor het nationale beleid.
Pieter Van De Sype said,
January 28, 2010 - 3:49 pm
Wel, ik denk inderdaad ook dat de termijn van een project – zeker een omvangrijk project als het Pro-SNTN, dat op verschillende thema’s tegelijk werkt – best wat langer mag duren (zeker al omdat de dingen hier vaak een stuk trager gaan
).
Capaciteitsopbouw van instituties en het beter poolen van resources, betere planning van financiering, volledig akkoord. Maar wat de financiële input betreft, denk ik eerlijk gezegd dat het veel efficiënter is middelen ter beschikking te stellen op lokaal niveau (zoals het hier gebeurt: samenwerking tussen Pro-SNTN en de jefatura) dan aan budgetsteun te doen. Er is een veel duidelijker beeld over de problematiek, dus objectieven (hoe gaan we dat geld uitgeven?) kunnen in functie daarvan beter en concreter gedefiniëerd worden. En je verliest geen geld tussen Lima en hier. Maar dat is natuurlijk hoe ik erover denk, werkzaam binnen het project. Op hoger niveau kan je beter strategieën uitlijnen, de dingen vanuit een globaler perspectief bekijken…Het ideaal zal waarschijnlijk een gulden middenweg zijn zeker
.
Het kanaal voor de input van het nationale beleid loopt hier via de jefatura.
Maar bon, ik wil er ook wel op wijzen dat ik hier niet depressief rondloop
. Het is een beetje ventileren…
Karine Boeykens-Philips said,
January 29, 2010 - 10:06 pm
Dag Pieter,
Met intresse lezen we over jouw project, schitterend werk, nu nog even volhouden, maar probeer niet té Westers te denken… je bent tenslotte in Peru, satellietkaarten…???probeer andere haalbare accenten te leggen aub, eerst de basis nadien iets meer als de financiën het toelaten hé. Groeten ook van Peter
Marie Bourlet said,
January 30, 2010 - 4:29 am
une variante bolivienne très populaire: “Mañana!!”
)
Exemple : a la mairie d’une certaine ville de l’altiplano, il n’y avait plus internet parce que le contrat était fini et que “recien, han empezado la nueva licitación”…. “Mañana”….
Marie Bourlet said,
January 30, 2010 - 4:32 pm
(Je précise aussi que l’erreur du débutant consiste à traduire littéralement le mot “mañana”, c’est à dire “demain”, en français… une traduction plus libre devant être privilégiée.
En français, une traduction plus appropriée pourrait être “A Pâques ou à la Trinité”, “A la Saint-Glinglin”… Et en néerlandais, quelle pourrait être la traduction la plus appropriée??)
Pieter Van De Sype said,
February 1, 2010 - 2:33 pm
@ Marie: ouais, c’est drôle comment l’espagnol peruvienne differe de l’espagnol que j’ai appris. ‘Ahorita’ singifique pas ‘dans un instant’ mais ‘dans une demi heure ou plus tard’, ‘estoy por llegar’ veut pas dire ‘je suis en train d’arriver’ mais ‘je vais sortir de ma maison, apres avoir pris une douche’. Interresant, les langues
. La traduccion, de verdad no se…
@ Karine:
De prijs van sattelietbeelden valt eigenlijk relatief goed mee, een 1000 euro per kaartblad. Het voordeel is dat je er heel veel mee kan doen, op relatief korte tijd (als je niet ook tegelijk met andere dingen bezig bent
). Ik maak bijvoorbeeld een vegetatiekaart, maar ik kan er evengoed (en das ook de bedoeling in de komende maanden) de oppervlakte en vooral de locatie van ontbossing uithalen.
Zo’n kaart is heel nuttig, omdat het door de ontoegankelijkheid van het gebied zeer moeilijk is informatie te bekomen. Ook analyse in de tijd is mogelijk. Het beeld dat ik nu heb is van 2007, als we dan een beeld kopen van 2010 bvb, kunnen we zien hoe die ontbossing is geevolueerd (hoeveel en waar). Voor de jefatura is dit heel belangrijk, omdat zij zo kunnen weten waar ze moeten ingrijpen.
Vrijdag is er een vergadering in Lima met de minister van milieu, waarbij het project en de jefatura zullen aantonen welk werk ze samen al verricht hebben, allemaal met geld van het project. Ze zullen hem proberen te overtuigen de duurzaamheid van dit geleverde werk te verzekeren door meer middelen aan het SNTN toe te wijzen. En ik ga nu beginnen daar een kaart voor te maken.
En bedankt voor de interesse
.
Yves said,
February 7, 2010 - 12:38 pm
Om hoeveel kaarten gaat het en om de hoeveel tijd hebben ze nieuwe kaarten nodig? Want 1000 euro lijkt me nu ook niet niks te zijn, zeker niet ginder?
Google earth geen oplossing?
Pieter Van De Sype said,
February 8, 2010 - 5:25 pm
ah als ge om de paar jaar een beeld hebt kunt ge al redelijk wat doen, dus echt duur komt dat niet uit. De beelden die wij gebruiken (ASTER) worden ook steeds goedkoper.
Google earth heeft geen zin. Het niveau van detail voor ons gebied is veel te klein (ik weet de resolutie niet, maar ik schat dat het iets van een paar 100m is, aster is 15m), bovendien is pratisch heel het santuario bedekt met wolken, maar de belangrijkste reden is omdat google earth gewoon beelden zijn met visuele informatie. Elke pixel heeft een waarde die een kleur voorstelt. Voor de analyse die we doen is dat nutteloos.
Een korte inleiding over het werken met sattelietbeelden:
de zon zendt elektromagnetische (EM) straling uit (die energie bevat) over een heel breed spectrum van golflengtes (van gamma- , röntgen-, X-stralen… UV licht, blauw licht, groen licht, rood licht, infrarood … microgolven… tot radiogolven – enkel het korte bereik tussen UV en infrarood is zichtbaar voor het menselijk oog). Met de stralen die het aardoppervlak bereiken gebeuren drie dingen: 1) ze worden geabsorbeerd (bvb bladgroen in planten neemt rood en blauw licht op om de energie daarvan te gebruiken om suikers aan te maken), 2) ze worden doorgelaten, 3) ze worden gereflecteerd (omdat rood en blauw licht wordt opgenomen wordt er door blaren relatief meer groen licht gereflecteerd, waardoor die er voor ons groen uitzien). Dit gebeurt niet enkel met het zichtbare licht, maar met alle soorten straling binnen het EM-sprectrum. Zo zijn blaren zeer efficiënt in het reflecteren van infrarode EM-golven, omdat ze bij absorptie teveel zouden opwarmen.
Dit geldt niet enkel voor vegetatie, simpelweg elk element op aarde reflecteert, absorbeert en transmitteert de inkomende EM golven op een verschillende manier. Door de eigenschappen van de gereflecteerde golven te analyseren, kunnen we dus verschillende objecten van elkaar onderscheiden. we weten bvb dat planten weinig reflecteren in het rood maar juist heel veel in infrarood. Als we dan een instrument hebben dat de gereflecteerde straling meet, kunnen we bij het aflezen van reflectie ‘veel infrarood, weinig rood’ aannemen dat het om planten gaat (zeer geoversimplifieerd
).
Nu, van het licht dat gereflecteerd wordt keert een deel logischerwijs terug naar boven, terug de ruimte in. Dus om over grote oppervlaktes, met herhaling in de tijd en ongeacht de bereikbaarheid van het terrein informatie te bekomen over het gereflecteerde licht (en daaruit dus informatie over het terrein) heeft men sattelieten naar boven gestuurd met meetinstrumenten die door het aardoppervlak gereflecteerde EM-golven registreren. Op basis van die sattelieten wordt sinds de jaren 70 (met landsat) een onschatbare hoeveelheid aan informatie bekomen.
Om terug te komen op google earth, de beelden daarvan zijn een amalgaam van sattelietbeelden en luchtfoto’s, soms met hoge mate van detail (maar soms ook niet). Maar de informatie is slechts ‘eendimensioneel’, elke pixel in het beeld heeft slechts een waarde, een compositie van de verschillende golflengtes binnen het voor ons zichtbare licht.
De ASTER-satteliet heeft veertien sensors die gereflecteerde EM golven op verschillende golflengtes registreert. Afhankelijk van wat je wil bestuderen zijn telkens andere combinaties van verschillende sensors mogelijk. Voor vegetatie gebruikt men doorgaans infrarood, rood en groen licht. Zo heeft men voor elke pixel niet 1 maar 3 informatiekanalen, wat het mogelijk maakt veel meer dingen beter van elkaar te onderscheiden: 2 punten kunnen op een lijn (1dimensie – bvb hoeveelheid gereflecteerd rood licht) dicht bij elkaar liggen, maar als we in de ruimte kijken (drie dimenties- resp. hoveelheid gereflecteerd groen, rood en infrarood) mijlenver uiteen (omdat de waarden voor groen en infrarood heel verschillend zijn).
Heel simpel gezegd komt de analyse die ik doe neer op het volgende: het ASTER-beeld waar ik mee werk bestaat uit pixels van 15 bij 15 m die het aardoppervlak voorstellen. Elke pixel bevat informatie over de hoeveelheid gereflecteerd licht binnen die pixel in de 14 verschillende golflengtes. Ik steek het ASTER-beeld in de software en ik geef aan het programma aan dat ik de golflengtes infrarood, rood en groen ga gebruiken voor analyse. Wat het programa dan doet is naar elke pixel kijken wat de waarden zijn voor die drie golflengtes, en zo elke pixel plaatst in een driedimensioneel assenstelsel (infrarood, rood en groen). Omdat gelijkaardige objecten op het aardoppervlak gelijkaardige reflectiekarakteristieken hebben gaan zich binnen die ruimte verschillende groepen, wolken van pixels vormen. Volgens een bepaald algoritme bakent het programma dan grenzen af tussen die verschillende groepen. Elke zo onstante groep komt dan overeen met een ‘klasse’, wat ook overeenkomt met verschillende objecten op het aardoppervlak.
Nu mijn input hierin lijkt dus op het eerste zicht vrij overbodig, ware het niet dat mijn computer niet weer waar die verschillende klassen mee overeenkomen
. Dat moet ik dan uitmaken, kijken of het overeenkomet met de werkelijkheid en indien nodig (ja dus) aanpassen. En nog een hele hoop andere miserie die ik u ga besparen
.
Indien nu nog aan het volgen, vraag je je misschien af waarom het nodig is dure beelden van 15 bij 15m te gebruiken (landsat sattelietbeelden bvb, met resoluties van pakweg 50×50 zijn gratis te verkrijgen en zouden dus een alternatief kunnen zijn voor google earth). Welnu, dat komt omdat de verschillende vegetatietypes op relatief korte afstand van elkaar verschillen (bosjes van hoogstens 1 hectare omringd paramo). Als de pixels een groter gebied zouden bedekken, zal elke pÃxel zowel paramo als bos bevatten, en krijg ik een redelijk uniform beeld…
Sorry van de overload aan info, maar zo heb ik tenminste een beargumenteerde verantwoording gegeven voor het niet gebruiken van google earth
.
mathias said,
March 4, 2010 - 9:16 pm
Die informatie vond ik best wel interessant.
Yves said,
March 11, 2010 - 9:42 pm
Ik ook
En happy birthday. Ik hoop dat mijn berichtje van gisteren u geen Peruviaans maandloon heeft gekost?
Groetjes en tot de volgende blog!