|
|
“Donne-moi l’argent!” |
Begin oktober gingen we met de BTC-vrijwilligers in Bénin naar het Venetië van Bénin, Ganvié. We vreesden dat het een uiterst toeristische aangelegenheid zou zijn; dat we de gekende kreet “Jovo, donne-moi l’argent” (“ey witte, geef me geld!”) iets meer hoorden dan we gewend zijn, was dan ook geen verrassing. Dat ik enkele dagen later in het ziekenhuis diezelfde vraag / eis opnieuw zou horen, maar dan op een veel dreigendere manier, én en masse, had ik echter helemaal niet verwacht.
Ter gelegenheid van het bezoek van een medewerker uit Brussel, spraken we af om met alle vrijwilligers in Bénin naar Ganvié te trekken. Het paaldorp werd enkele eeuwen terug gesticht door een kleine groep mensen op de vlucht voor de toen regerende koning. Het meer Nokoé werd hun nieuwe thuis. Het resultaat is een samenraapsel van enkele honderden paalwoningen in een kluwen van kleine kanotjes (‘pirogues’ of prauwen). De blanke bezoeker stapte zelf ook aarzelend in een wiebelend vaartuig en liet zich gezapig langs de kerk, moskee, voodoo-tempel, telefooncel, markt, hotel, restaurant, waterpomp, etc glijden. Her en der werden we nagestaard, elders genegeerd, soms vrolijk toegezwaaid, maar meer dan eens kregen we ook de kreet “ey witte, geef me geld!” (jovo, donne-moi l’argent) naar ons hoofd geslingerd. Op de duur went het wel, dacht ik, maar een mens wordt er toch niet vrolijker op. Uiteindelijk zagen we ‘het leven zoals het is’, te omschrijven als een armtierig paaldorp van scheve huisjes in een poel van extreme armoede.
Enkele dagen later kregen we opnieuw bezoek uit België, dit keer van een extern consulent van het Tropisch Instituut uit Antwerpen die in het kader van de “suivi scientifique” de vorderingen van het project komt evalueren. In verschillende vergaderingen konden alle betrokken actoren hun licht laten schijnen op de “état d’avancement” van het project. De boeiendste sessie was zonder twijfel die met het personeel van het hospitaal, meer bepaald met enkel de niet-kaderleden.
Zoals altijd begon de vergadering met een ‘kleine’ vertraging en een plechtige (overbodige) openingsrede. De directeur van het ziekenhuis sprak mooie (holle) woorden over motivatie, engagement, en het omtoveren van het ziekenhuis in een rolmodel. Daarna verlieten alle kaderleden de zaal zodat het personeel zich niet geremd moest voelen om hun visie op de zaken uit de doeken te doen – niet dat les Béninois veel schrik hebben om hun mond open te doen in het bijzijn van hun chefs, maar toch.
De coördinator van de ‘zone sanitaire’, de directeur van het ziekenhuis én de Assistant Technique gingen naar buiten, maar door een stom toeval kon ik aanwezig blijven. Terwijl ik aanvankelijk er een beetje onwennig bij zat en toch nog de zaal wilde verlaten terwijl de consulent de vergadering inleidde, merkte ik al langzaam dat mijn aanwezigheid zeker niet ongewenst was. Van verschillende personeelsleden had ik tijdens het afgelopen half jaar af en toe flarden van getuigenissen opgevangen over de moeilijke werk- en levensomstandigheden. Mijn (jeugdig) blank velletje en mijn positie als ‘onschuldige’ BTC-vrijwilliger of ‘junior assistant’, speelde misschien in mijn voordeel en boezemde een stukje vertrouwen in.
Het debat werd geopend met twee vragen, “wat weet je over het project, en ga je ermee akkoord?”, en mondde al snel uit in een stortvloed van frustraties. “Van het project hebben we nog niets gezien behalve de twee nieuwe jeeps, die geparkeerd staan naast de kapotte ziekenwagen!” “Het zijn de leden van de raad van beheer die tijdens hun vergaderingen lekker eten en al het geld in hun eigen zakken steken!”
De vele interventies draaiden steevast rond dezelfde eis: “Donne-nous, donne-moi l’argent!”. Het magere maandloon van het personeel is ruim onvoldoende, en met de komst van het project is de hoop op betere tijden ontstaan, maar die hoop is negen maand later omgeslagen in een groeiende frustratie. Ondanks geruchten over aanmoedigingspremies en de aankoop van nieuw materiaal, hadden ze nog geen cent gezien van het ambitieuze project dat ‘de kwaliteit van de gezondheidszorg wil verhogen’. Maar hoe kan een personeelslid gemotiveerd zijn, als hij/zij op het einde van de maand amper rond kan komen?
Met 45 euro per maand kan je amper je hoofd boven water houden, en zelfs met het dubbele is het nog steeds onbegonnen werk om je gezin te onderhouden. Het resultaat van het lage loon is een gedemotiveerd personeel dat wanhopig naar alternatieven zoekt. Zo gebeurt het vaak dat men gaat bijklussen, er een informele praktijk op nahoudt, in het zwart medicijnen verkoopt, of simpelweg een privé-kliniek runt. Het grote absenteïsme getuigt dat die nevenactiviteiten zéker niet onderschat mogen worden. De penibele financiële situatie zorgt er bovendien ook voor dat men wat graag naar vormingen en vergaderingen gaat, want daar kan je steevast een ‘per diem’ opstrijken, een kleine (legale) compensatie voor de aanwezigheid die een héél welgekomen aanvulling is op het sobere salaris.
Precies die Heilige Per Diem – één van dé toverwoorden van de huidige ontwikkelingssamenwerking – zorgde voor een groeiende frustratie van het ziekenhuispersoneel. Zij zien de vergaderingen, koffiepauzes en maaltijden langs hun neus passeren, maar worden (nog) niet betrokken bij het project. Nu eisen ze ook een deel van de koek. De stemming op de vergadering werd plots iets grimmiger toen het personeel simpelweg meedeelde dat zij de basis zijn, en dat zij bepalen of het project al dan niet zal falen. (Lichtzinnig moet je hier niet mee omspringen: het gezondheidspersoneel er net twee maand (!!) staking opzitten na een dispuut met het Ministerie voor Volksgezondheid over een risico-premie. Tijdens juli en augustus werd het werk steevast neergelegd op dinsdag, woensdag en donderdag, en ondertussen stierven mensen…).
Wanneer het over geld gaat, is het wantrouwen nooit ver te zoeken. Gelukkig konden de gemoederen bedaren toen de consulent verzekerde dat er eigenlijk bijna nog geen geld was uitgegeven (een ander toverwoord van de huidige ontwikkelingssamenwerking heet “taux de consommation”): de kaderleden blinken nu vooral uit in het aarzelen om het vele geld uit te geven. Voorlopig draaien we rond de (geld)pot en zijn we druk bezig met het vaststellen van wat we eigenlijk al weten. De algehele consensus wordt steevast nagestreefd, op alle mogelijke problemen wordt geanticipeerd, maar men vergeet beslissingen te nemen, knopen door te hakken en tot de actie over te gaan.
In het finale rapport van de ‘suivi scientifique’, kregen we een kritische analyse van het project voorgeschoteld, samen met een resem aandachtspunten en concrete aanbevelingen.
Tijdens de verschillende gesprekken werden al enkele concrete pistes verkend, maar het wordt een moeilijke weg van voortdurende vergissingen en herzieningen, vol procedurele valkuilen.
À la prochaine!
Piet
00229/973 40712
CTB – Coopération Technique Belge
Représentation Bénin
Piet Wostyn
Lot A1, Quartier ‘Les Cocotiers’
02 B.P 8118 Cotonou
BENIN

