|
|
De toekomst van Cashew in Benin |
Beste vrienden van de cashew-noot. Deze week werd een driedaags atelier georganiseerd rond de ‘filière anacarde’ in Benin door onze Duitse buren van de GTZ. In het kort komt dit neer op een chaos van groepsgesprekken alwaar iedereen wil laten zien hoe intelligent hij is en waar er evenveel goede voornemens gemaakt worden als op een doorsnee oudejaarsavond. Desalniettemin werd er goed werk geleverd door de drie werkgroepen, opgesplitst tussen de verschillende ketens (uitvoer van respectievelijk ‘noix brutes’, ‘amandes blanches’ en ‘amandes torréfiées’) en zullen de resultaten binnenkort te bewonderen zijn op www.anacardium.info. Een site opgestart door PAMRAD, het project van BTC dat bijna ten einde is. Hopen maar dat iedereen zijn verplichtingen nakomt en de cashew-filière zal erop vooruitgaan.
PAMRAD ondersteunt ook de boerenunie hier in de streek (Atacora-Donga, vergelijkbaar met België qua oppervlakte maar niet qua percentage aan kinderen onder rilatine-behandeling). Om iedereen die actief is in de sector en de BTC-vrijwilligers op de hoogte te houden van hun bezigheden, heeft URPA-AD een nieuwsbrief opgestart (klik hier voor de nieuwsbrief: urpa_ad_info_v01.pdf). Onder meer in deze editie:
- De tussentijdse resultaten en ondervonden problemen van de ‘vente groupée’
- Enkele van de ondernomen acties op het vlak van onderhoud en installatie van de plantages
- De vorderingen van de inventaris van de cashew-plantages



Paul J.M.Mols said,
November 23, 2008 - 3:47 pm
Beste Klaas,
Ik weet niet wat je voor me kunt betekenen maar ik wil je het volgende laten weten, misschien komt er wat uit.
Ik heb 14 jaar in Benin gewoond en gewerkt, van 1990 tot 2004. De eerste 3 jaar was ik coördinator van het projekt ODAD (ontsluitingsbruggen) in wat toen nog het Département de l’Atacora was. Mijn werkgebied was het huidige Donga (Djougou en Bassila). In 1994 ben ik voor mezelf begonnen; ik heb een aannemingsbedrijf opgezet.
Dat is niet goed gegaan, uiteindelijk kon ik niet opboksen tegen, laat ik maar zeggen, het beninese “systeem”.
Je zult wel begrijpen wat ik bedoel. Ik ben gewoon een goudeerlijke nederlandse vent en ik heb een broertje dood aan gerommel.
Indertijd heb ik via een bank in Cotonou een betonmolen gekocht want ik wilde serieus werk leveren.
Na twee jaar of zo kon ik door liquiditeitsproblemen mijn kwartaalaflossing niet betalen. Ik ben toen gaan praten
met de directeur van de bank. Hij maakte er toen niet zo’n probleem van, sterker: hij vroeg me om me in de handel in cashewnoten te begeven. Zo zou ik mijn activiteiten diversifiëren en risico kunnen spreiden.
Dat overrompelde me nogal: ik wist natuurlijk wel dat er veel cashew groeide in zeg maar het centrale deel van Benin maar van de handel in cashewnoten wist ik zo goed als niets.
Ik heb de man toen bedankt voor het aanbod en het vertrouwen dat hij in me had en vervolgens gezegd dat ik, alvorens ja of nee te zeggen, wilde uitzoeken hoe het allemaal in elkaar zat met die handel. Dat vond hij goed.
Ik kwam er al snel achter dat de boeren, producenten van cashewnoten, worden uitgeknepen als citoenen.
Daar wilde ik als oud ontwikkelingswerker niet aan meedoen. Ik ben dol op die mensen, heb respect voor hen en om ze dan te gaan uitbuiten, nee. Ik wilde er echter wel wat mee doen, gezien het potentieel dat ik al gauw moest onderkennen.
Toen ik er achter kwam dat het overgrote deel van de ruwe noten linea recta naar India gaat ben ik me daarin gaan verdiepen. Uiteraard vroeg ik me af waarom die noten niet in Benin zelf gedopt worden, en ben gaan uitzoeken wat voor technieken daarvoor gebruikt worden. Het is een lastig kreng, die cashewnoot.
Ik vroeg me af of dat niet anders kon,dat doppen, en ben gaan experimenteren. Ik had toen weinig werk en tijd in overvloed. Ik heb dus kleine hoeveelheden (telkens een kilo) noten gekocht opverschillende plaatsen (Birni, Djougou, Bougou) om ermee te “prutsen”. Daar ben ik toen ruim een half jaar mee zoet geweest en op 29 maart ’96 (weet ik nog precies omdat het de verjaardag van mijn vader was) had ik het. Een manier om de amandelen uit de schil te krijgen die anders was dan alle technieken die ik uit de literatuur kende(en ik ken er nogal wat) , en bovendien een schitterend resultaat opleverde.
Ik ben toen gaan praten met de jongens van het INRAB in Natitingou en die vonden dat natuurlijk geweldig.
Wij zijn toen samen aan de gang gegaan om een projectdocument te schrijven (wat ik er mee wil doen, en hoe) en hebben verschillende instanties en projecten aangeschreven en benaderd voor hulp. Ik wilde namelijk het patent op mijn vinding hebben en dat kost een paar duiten, en die had ik niet.
Gezien het enorme (ja!) belang dat mijn vinding kan hebben voor de cashewproducenten en de beninese economie dachten we overal open deuren te vinden maar dat hadden we dus mis. In de gevallen dat er werkelijke belangstelling was wilde men weten hoe ik het precies doe. Ik had toen de EPO in Rijswijk (Nederland) al gevraagd om documentatie, had die al ontvangen en goed doorgelezen en wist dus hoe belangrijk geheimhouding was (en nog steeds is) dus deze mensen kregen nul op het rekest.
Zo is het eigenlijk doodgebloed. Ik wil mijn vinding niet verkopen omdat als ik dat wel doe, de boeren er waarschijnlijk niks mee opschieten terwijl iemand over hun ruggen heen vreselijk veel gaat verdienen.
In mijn hart ben ik nog steeds een ontwikkelingswerker en ik wil die boeren vooruithelpen, en ikzelf zal heus niets tekortkomen, integendeel.
In 2004 ben ik met mijn gezin teruggegaan naar Nederland en hier heb er, tot nu dan, eigenlijk helemaal niets meer mee gedaan. Dat ik u de draad weer heb opgepakt komt omdat ik hoogstwaarschijnlijk terugga naar Benin, als ontwikkelingswerker. Ik zit in een selectieprocedure. Ik begin weer een beetje op te leven.
Gaat het door, en ik ben weer in het land, dan ga ik (in m’n vrije tijd) verder met mijn pogingen er iets van te maken.
Dat ik je schrijf komt vooral door je zin (in: de toekomst van de cashew in Benin):”In het kort komt dit neer op een chaos waarin iedereen ……..”.
Toen ik dat las dacht ik verrek, met die vent kan ik volgens mij door één deur wat ik herken dat.
Ik hoop dus dat je reageert. Ook heb ik er absoluut geen bezwaar tegen dat je de mensen van de INRAB in Natitingou benadert.
Ze zullen je veel kunnen vertellen. Je kunt dan het beste contact opnemen met Jonas Hinvi (cjhinvi@yahoo.fr).
Met vriendelijke groet,
Paul Mols
Tulpstraat 23
4486 BX Colijnsplaat
Nederland
Paul J.M.Mols said,
November 23, 2008 - 3:47 pm
Beste Klaas,
Ik weet niet wat je voor me kunt betekenen maar ik wil je het volgende laten weten, misschien komt er wat uit.
Ik heb 14 jaar in Benin gewoond en gewerkt, van 1990 tot 2004. De eerste 3 jaar was ik coördinator van het projekt ODAD (ontsluitingsbruggen) in wat toen nog het Département de l’Atacora was. Mijn werkgebied was het huidige Donga (Djougou en Bassila). In 1994 ben ik voor mezelf begonnen; ik heb een aannemingsbedrijf opgezet.
Dat is niet goed gegaan, uiteindelijk kon ik niet opboksen tegen, laat ik maar zeggen, het beninese “systeem”.
Je zult wel begrijpen wat ik bedoel. Ik ben gewoon een goudeerlijke nederlandse vent en ik heb een broertje dood aan gerommel.
Indertijd heb ik via een bank in Cotonou een betonmolen gekocht want ik wilde serieus werk leveren.
Na twee jaar of zo kon ik door liquiditeitsproblemen mijn kwartaalaflossing niet betalen. Ik ben toen gaan praten
met de directeur van de bank. Hij maakte er toen niet zo’n probleem van, sterker: hij vroeg me om me in de handel in cashewnoten te begeven. Zo zou ik mijn activiteiten diversifiëren en risico kunnen spreiden.
Dat overrompelde me nogal: ik wist natuurlijk wel dat er veel cashew groeide in zeg maar het centrale deel van Benin maar van de handel in cashewnoten wist ik zo goed als niets.
Ik heb de man toen bedankt voor het aanbod en het vertrouwen dat hij in me had en vervolgens gezegd dat ik, alvorens ja of nee te zeggen, wilde uitzoeken hoe het allemaal in elkaar zat met die handel. Dat vond hij goed.
Ik kwam er al snel achter dat de boeren, producenten van cashewnoten, worden uitgeknepen als citoenen.
Daar wilde ik als oud ontwikkelingswerker niet aan meedoen. Ik ben dol op die mensen, heb respect voor hen en om ze dan te gaan uitbuiten, nee. Ik wilde er echter wel wat mee doen, gezien het potentieel dat ik al gauw moest onderkennen.
Toen ik er achter kwam dat het overgrote deel van de ruwe noten linea recta naar India gaat ben ik me daarin gaan verdiepen. Uiteraard vroeg ik me af waarom die noten niet in Benin zelf gedopt worden, en ben gaan uitzoeken wat voor technieken daarvoor gebruikt worden. Het is een lastig kreng, die cashewnoot.
Ik vroeg me af of dat niet anders kon,dat doppen, en ben gaan experimenteren. Ik had toen weinig werk en tijd in overvloed. Ik heb dus kleine hoeveelheden (telkens een kilo) noten gekocht opverschillende plaatsen (Birni, Djougou, Bougou) om ermee te “prutsen”. Daar ben ik toen ruim een half jaar mee zoet geweest en op 29 maart ’96 (weet ik nog precies omdat het de verjaardag van mijn vader was) had ik het. Een manier om de amandelen uit de schil te krijgen die anders was dan alle technieken die ik uit de literatuur kende(en ik ken er nogal wat) , en bovendien een schitterend resultaat opleverde.
Ik ben toen gaan praten met de jongens van het INRAB in Natitingou en die vonden dat natuurlijk geweldig.
Wij zijn toen samen aan de gang gegaan om een projectdocument te schrijven (wat ik er mee wil doen, en hoe) en hebben verschillende instanties en projecten aangeschreven en benaderd voor hulp. Ik wilde namelijk het patent op mijn vinding hebben en dat kost een paar duiten, en die had ik niet.
Gezien het enorme (ja!) belang dat mijn vinding kan hebben voor de cashewproducenten en de beninese economie dachten we overal open deuren te vinden maar dat hadden we dus mis. In de gevallen dat er werkelijke belangstelling was wilde men weten hoe ik het precies doe. Ik had toen de EPO in Rijswijk (Nederland) al gevraagd om documentatie, had die al ontvangen en goed doorgelezen en wist dus hoe belangrijk geheimhouding was (en nog steeds is) dus deze mensen kregen nul op het rekest.
Zo is het eigenlijk doodgebloed. Ik wil mijn vinding niet verkopen omdat als ik dat wel doe, de boeren er waarschijnlijk niks mee opschieten terwijl iemand over hun ruggen heen vreselijk veel gaat verdienen.
In mijn hart ben ik nog steeds een ontwikkelingswerker en ik wil die boeren vooruithelpen, en ikzelf zal heus niets tekortkomen, integendeel.
In 2004 ben ik met mijn gezin teruggegaan naar Nederland en hier heb er, tot nu dan, eigenlijk helemaal niets meer mee gedaan. Dat ik u de draad weer heb opgepakt komt omdat ik hoogstwaarschijnlijk terugga naar Benin, als ontwikkelingswerker. Ik zit in een selectieprocedure. Ik begin weer een beetje op te leven.
Gaat het door, en ik ben weer in het land, dan ga ik (in m’n vrije tijd) verder met mijn pogingen er iets van te maken.
Dat ik je schrijf komt vooral door je zin (in: de toekomst van de cashew in Benin):”In het kort komt dit neer op een chaos waarin iedereen ……..”.
Toen ik dat las dacht ik verrek, met die vent kan ik volgens mij door één deur wat ik herken dat.
Ik hoop dus dat je reageert. Ook heb ik er absoluut geen bezwaar tegen dat je de mensen van de INRAB in Natitingou benadert.
Ze zullen je veel kunnen vertellen. Je kunt dan het beste contact opnemen met Jonas Hinvi (cjhinvi@yahoo.fr).
Met vriendelijke groet,
Paul Mols
Tulpstraat 23
4486 BX Colijnsplaat
Nederland